Geloven: Exegetische inleiding over Gen. 6,1-4

Genesis 6, 1-4 is één van de moeilijkste te interpreteren passages uit de Bijbel. Kerkvaders, bisschoppen, theologen, exegeten, dominees, joodse schriftgeleerden en de rabbijnen wisten zich geen raad met deze dubbelzinnige en sinistere Bijbeltekst. 

Desondanks vonden de Talmoedgeleerden deze Bijbelpassage belangrijker dan het verhaal over de (oer-) zonde van Adam en Eva. Voor joodse schriftgeleerden was dit het werkelijke verhaal van de ‘Zondeval’, want het zou verhalen hoe het ‘kwaad’ in de wereld kwam door rebellerende engelen, die gemeenschap hadden met de dochters der mensen. 

De ‘zonen Gods’ zijn dan de gevallen engelen en nog steeds verdedigen sommige joodse exegeten deze visie.

De kerkvaders en middeleeuwse theologen waren ervan overtuigd dat de ‘Zonen van God’ nakomelingen waren van Seth, terwijl de dochters der mensen voortkwamen uit de lijn van Kaïn. 

Erich von Däniken beweerde zelfs dat de Zonen van God buitenaardse wezens waren. Echter, moderne exegeten hebben een andere theorie geopperd.